“Veel trainingen en therapieën zijn gericht op een doel. Je verkeert in situatie A en je wilt naar punt B. Dit weekend staan we alleen maar stil bij hoe het is bij A.” Met deze woorden werd het ‘innerlijk kind weekend’ waaraan ik onlangs deelnam, geïntroduceerd. Het klinkt zo simpel, maar op het moment dat ik uitgenodigd word om te voelen hoe iets is, begint mijn hoofd te ratelen. En bij wie niet? Als ik stilsta en observeer, merk ik pas hoezeer mijn geest naar punt B wil. De hele dag door probeer ik naar punt B te rennen. Want bij A zijn, voelt vaak onbevredigend en soms zelf beangstigend of pijnlijk.

Mijn hoofd wist het al lang en mijn lijf begint inmiddels ook te ervaren dat het oud zeer of oude tekortkomingen zijn. Het is hier en nu helemaal niet gevaarlijk. Het klinkt zo logisch, maar onbewust schiet ik zomaar in de kramp. Bovendien, mijn overlevingsstrategie van oppassen en aanpassen heeft heel lang goed gewerkt, dat het heel moeilijk onderscheid te maken is wanneer die bruikbaar is en wanneer niet. Hoe kan ik weten of ik bij opkomende emoties mijn intuïtie volg of mijn ego?

De hele dag word ik afgeleid. Er is zoveel moois waar ik naar toe zou willen. Alles kan altijd beter, mooier, idealer, groter, intenser, slimmer, duurzamer, grappiger, gezonder, langzamer of zachter. In feite is het een heel egocentrisch wereldbeeld. Het één is beter, het ander is minder en ik sta in het midden. Ik dacht altijd dat ik kon kiezen waar ik heen wou. Dat wel, dat niet. En zo leefde ik altijd met de focus op daar waar ik heen wou, rende ik weg bij het onaangename en was ik vooral niet op waar ik op dat moment echt was.

Het klinkt zo logisch om op je levenspad je voorkeur en afkeer te volgen. Talloze mensen zijn mij voor gegaan en geen haan die er naar kraaide. Maar ik hoorde die haan wel. Want hoe kan ik nou mijn voorkeur en afkeer volgen als ze steeds veranderen? En als er eens een voorkeursdoel behaald wordt, is de bevrediging maar voor even en komt er weer iets nieuws. Een bodemloze put.

Op de één of andere manier heeft mijn levensloop en misschien ook wel mijn overlevingsstrategie ertoe geleid dat er ‘gedwongen’ werd de zeepbel te doorprikken en te ervaren wat er nu is. Dikwijls is er nueen gevoel van daarte willen zijn. Meer willen. Beter willen. Weg van hier. Nieuw willen ontdekken. Maar nieuw, betekent altijd afscheid van oud. Dat is niet per definitie beter. En waar ik ook heen ga, ik neem mezelf mee.

Bij nieuw willen ontdekken hoort avontuur. Niet weten wat er komt. Daarvoor hoef ik niet weg, dat kan hier ook. Ik ben op reis in mijn eigen leven. Elk moment is nieuw en ik weet nooit wat er komen gaat. Als ik me echt rot voel, is het logisch dat ik weg wil. Maar als ik alleen maar ziedat ik me rot voel, maakt het niet uit waar ik ben. Dan zie ik ook dat ik me ergens anders net zo rot kan voelen. Want ik ben altijd hier en nu.