Het woord ‘juist’ plopte bij me op tijdens één van mijn looprondjes in een periode dat ik mijn leven aan het omgooien was, of eigenlijk gooide het leven mij om, op zoek naar meer harmonie met mezelf en mijn omgeving. Ik kende mezelf niet anders dan een angstig, neurotisch typje die zich naar de buitenwereld goed voor probeert te doen, maar vanbinnen een strijd voert. Op het moment dat mijn kinderen in hun gedrag die strijd spiegelen, werd en word ik nog steeds wel eens nóg angstiger en neurotischer. Ik suste mezelf met de gedachte dat ik ook maar een mens ben en dat dit universeel is voor ouders. Vanaf het moment dat ik het boek ‘Op zoek naar het verloren geluk’ van Jean Liedloff begon te lezen (oorspronkelijke titel ‘The Continuüm Concept’), waren die sussende gedachtes echter niet meer genoeg. Ik begon de begrijpen waardoor ik op zoek was naar mijn verloren geluk.

Liedloff (antropologe) beschrijft een stam, de Yequana’s, die ver van de beschaving leeft als in het stenen tijdperk. Ze probeerde, door enkele jaren bij deze stam te verblijven, het geheim van hun geluk en harmonische samenleving te achterhalen. Ze ontdekte waarom in onze (westerse) samenleving het beleven van geluk zo vaak wordt verstoord. Ze beschrijft dat in onze samenleving kinderen ver verwijderd van hun continuüm opgroeien en ze introduceert de continuüm filosofie: opgroeien volgens het aloude continuüm van onze soort, met daarbij behorende eigenschappen en verwachtingspatronen. Dat is volgens haar de juistheid van het bestaan. Juist ja.

Liedloff stelt algemene ideeën als ‘vooruitgang is goed’, ‘de mens heeft wetten nodig volgens welke hij zijn leven in kan richten’, ‘een kind behoort zijn ouders toe’ en ‘ontspanning is aangenamer dan werken’ ter discussie. Waar ik heb geleerd dat zoiets als ‘peuterpuberteit’ er nu eenmaal bij hoort, beschrijft zij dat de kinderen van de stam zich zonder uitzondering voorbeeldig gedroegen: ze vochten nooit, er was geen competitie, ze gehoorzaamden graag en direct en bijvoorbeeld de verontschuldiging ‘zo zijn jongens nu eenmaal’ was niet op hen van toepassing.

Bij de Yequanas worden kinderen vanaf de geboorte volwaardig gezien en draaien ze binnen hun mogelijkheden mee in het systeem. Baby’s worden altijd gedragen en slapen bij de ouder. Kinderen worden niet opgevoed, maar voorgeleefd, vanuit het volledige vertrouwen dat het kind de ouder volgt.  Zodoende gaan de jongste kinderen daar met de gevaarlijkste voorwerpen om en kruipen dreumessen langs stijle afgronden. Niet steeds omkijken en je kind aansporen om door te lopen als je samen een wandeling maakt, alleen je tempo aanpassen.

Wat mij (zowel als kind, als moeder, als orthopedagoog, als mens) bezighield nadat ik het boek gelezen had: dit bestáát dus. Het beeld wat Liedloff schetste leek mij utopisch en het eerste wat er bij mij gebeurde was dat de moed mij in de schoenen zakte. Het zwartgallige en cynische deel in mij kwam naar boven en had z’n conclusies al getrokken: Ik leef niet meer als in het stenen tijdperk. Ik leef nu en doe het allemaal verkeerd. Ik moet mijn kinderen dingen leren en voorbereiden om mee te draaien in het systeem. Ik weet wel dat ik met het ‘opvoeden’ van mijn kinderen hen juist hun creativiteit en spontaniteit ontneem, maar ja, iedereen doet het zo en ik durf het niet anders te doen. Bovendien, ik zou niet weten hoe. En daarmee gooi ik een dikke laag verhulling over mijn kinderen heen bestaande uit negatieve overtuigingen, regels over hoe ze zich staande moeten houden en een imago. Ik benadruk regelmatig wat mijn kinderen allemaal niet mogen en dan gaan ze het juist doen, omdat dat blijkbaar van hen verwacht wordt. En last but not least: ik offer mijn vrijheid op voor mijn kinderen. Omdat het mijn taak als ouder is om mijn kinderen gelukkig te maken.

In zo’n pessimistische bui zou ik kunnen zeggen dat ik niet meer terug kan. Zo ben ik immers zelf ook groot geworden. Net als Yuval Harari beschrijft dat we met de agrarische revolutie in een soort voedselfuik zijn gelopen¹, zou ik voor mezelf kunnen zeggen dat ik in een opvoedingsfuik ben gelopen. Ik zou mijn kinderen heel graag compleet onvoorwaardelijk en in een paleo sociale omgeving² willen laten opgroeien, maar dat gaat hem niet meer worden in onze geïndividualiseerde samenleving. Laat maar zitten, zou ik bijna zeggen.

Bijna. Want het wringt en dat zet de boel in beweging. Door de juiste wrijving ontstaat vuur en dat licht het hele zaakje op. En zo krijg ik het langzaam helder wat mij te doen staat. Nou ja, doen… het enige wat ik kan is: stilstaan, luisteren en mijn eigen juistheid voelen.

Je kinderen zijn je kinderen niet.

Ze zijn de zonen en dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf.

Zij komen door je, maar zijn niet van je,

en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.

 

Jij mag hen geven van je liefde, maar niet van je gedachten.

Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen,

want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.

Je mag proberen hen gelijk te worden, maar tracht hen niet aan jou gelijk te maken.

(Kahlil Gibran, begin twintigste eeuw)

 

¹ Harari beschrijft in ‘Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid (2017)’ dat door de agrarische revolutie de bevolking groeide. Er moesten meer mensen in leven gehouden worden, onder slechtere omstandigheden (harder werken en meer ziektes). Door de sterker geworden afhankelijkheid van enkele voedingsmiddelen – in tegenstelling tot diversiteit in het jager-verzamelaarstijdperk -, werd het systeem kwetsbaarder om de gehele bevolking te kunnen blijven voeden. En daarvoor moest nóg weer harder gewerkt worden, want niemand meldt zich vrijwillig voor een hongersnood. Zo konden ze onmogelijk terug.

²https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2018/02/homo-sapiens-heeft-zichzelf.html