Mensenjas


Voor de wereld zwierf ik - welke ik? - zonder een mensenjas.
Ik was niet.

Op de wereld
krijg ik
- dezelfde ik? -
een eigen mensenjas.

Ik ben dat.

Van de wereld
stik ik
- dubbel ik -
in mijn mensenjas.

Ik wil niet.

Uit de wereld
kijk ik
- waar ben ik? -
naar de mensenjas.

Ik ben niet.

In de wereld
past mij
- jou kan ook -
zomaar een mensenjas.

Ik ben hier.

Na de wereld
was er
- waar is dat? -
nooit een mensenjas.

Er is niks.